De wereld van jansje

 

De wereld van jansje



‘hallo zeggen tegen de mensen’
Ik kocht eens twee kussensloopjes. Zwart met bloemetjes en kwastjes. Ik weet niet meer waarom ik ze toen liet inpakken want ze waren gewoon voor mezelf. Ik denk eigenlijk omdat het zo hoopvol gevraagd werd: zal ik ze voor u inpakken? Dat heb ik geweten.

De kussensloopjes werden één voor één opgevouwen, precies met de hoekjes op elkaar, kwastjes zorgvuldig gladgestreken zodat ze geen hobbeligheden zouden veroorzaken bij het werkelijke inpakken. Daarna pakte de vriendelijke verkoopster één van de sloopjes op en draaide zich naar de rol pakpapier aan de andere kant van de toonbank. Uitvoerig werd bekeken of één zo’n sloopje, ze ging ze dus los van elkaar inpakken, in het stuk inmiddels uitgerolde papier zou passen. Toen de lengte van het papier was goedgekeurd kon het afscheuren beginnen. Ook dat gebeurde zeer aandachtig. Het kussensloopje werd netjes in het midden op het papier gelegd. De inpakster ging volledig op in het vouw-en gladstrijkwerk wat er op volgde. Voor de plakbandhouder er aan te pas kwam waren we minuten en minuten verder. En toen het laatste stukje plakband op z’n plek zat en de twee ingepakte kunstwerkjes mij werden overhandigd keek ik in de ogen van een trots en voldaan mens.

Ik was in de Wereld van Jansje. Een winkel annex lunchroom in de Haarlemse binnenstad vol aantrekkelijke spullen waar ik weleens vluchtig doorheen was gelopen, maar waarvan ik tot de kussensloopjes aankoop nog niet had gemerkt dat je er geholpen wordt door mensen met een verstandelijke beperking. Best raar. Ik bedoel dat ik het niet eerder had gemerkt. Want meteen al als je er binnenkomt staat er een medewerker, te herkennen aan de zwarte bloes en het zwarte schort, bij de deur iedere bezoeker een hartelijk welkom te heten.

Ik heb vandaag ook zo’n zwarte bloes en zwart schort aan want ik mag er een dagje werken, bij de Wereld van Jansje. En ja dat is een belevenis. Het is een grote wereld, die van Jansje. Dat geldt zowel voor het pand, als voor de stuwende krachten erachter en ook voor de idealen. Ik ben best nerveus want al heb ik dan best wat verstand, op praktisch gebied heb ik ook zo m’n beperkingen. En dan zijn er natuurlijk de niet alledaagse collega’s voor één dag. Het duurt een flinke kop koffie en een wandeling door het gebouw met manager/directeur Claudia Stefanutto voor ik het zicht op de zaak een beetje duidelijk heb.

‘Kijk’, zegt ze als ze een zware deur opentrekt, ‘de kerk zit erachter’. Aha, achter het winkel- en lunchroom gedeelte ligt de doopsgezinde kerk van Haarlem. Het initiatief om verstandelijk beperkten te laten werken in de horeca en de winkel komt van de kerk. Claudia solliciteerde op de functie van directeur en heeft er een wereldbaan aan. Ze geeft leiding aan in totaal 39 man personeel waaronder 2 professionele koks, 2 arbeidstrainers, vrijwilligers en een enkele betaalde kracht. En al die vrolijke beperkten. Want vrolijk zijn ze bijna allemaal.

Mijn werkdag begint achter de kassa. Ik maak kennis met Bianca, Lina en Cha. Lina laat me de map waarin staat wat we moeten doen als er een vervelende klant in de winkel is. ‘Dan roep je gewoon heel hard Zebra!’, zegt Lina. Ze bladert verder naar de voorschriften wat te doen bij brand. Daar komen we niet aan toe want we hebben een klant. Geen vervelende jammergenoeg, ik zou zo aan het begin van de werkdag best heel hard Zebra! willen roepen. Onze eerste klant spreekt Engels. Lina praat in vloeiend Engels terug. Ze rekent een gebreid knuffelkonijn af. Het konijn moet ingepakt worden. en daar komt Bianca in het spel. Bianca kijkt een paar keer van het konijn naar de rol met inpakpapier, trekt dan een stuk papier naar zich toe, legt het konijn erop en schat tot op de centimeter nauwkeurig hoeveel papier er nodig is om het konijn er in gewikkeld te krijgen. Plakbandjes erop, tasje eromheen. Allemaal even toegewijd, allemaal even kalm. Het kan haast niet anders of Bianca heeft indertijd die sloopjes van mij ingepakt.

De Engelse mevrouw verlaat blij de winkel. Bianca en Lina zijn een geölied kassateam. Ik bedenk dat ik er weinig tot niks aan toe te voegen heb. Maar voor ik me overbodig kan voelen beent er een enthousiaste man op me af, onstuimige motoriek en een open gezicht . Hij steekt z’n hand naar me uit ‘hallo ik ben Pim. Ik zeg net tegen m’n collega hé is dat niet Mylou Frencken van het Mes op Tafel. Maar hij kende die quiz niet. Beetje brutale vraag misschien maar ben je het?’. Ik knik van ja. ‘Hahahahaha! Ik dacht het wel! Hahahaha die is goed zeg! Ik kan het niet geloven maar het is dus echt waar! Hahaha!’. Pim blijft de hele ochtend luid lachend in de omgeving van mijn aura rondbanjeren. Uiterst vriendelijk, uiterst vrolijk.

Ik weet nog steeds niet of ik nuttig ben, maar welkom ben ik zeker. In de keuken mag ik mij samen met Sofia over de appeltaarten ontfermen. Ze moeten in nog ongebakken toestand met een plastic folietje over het vlechtwerk heen in de vriezer worden gezet. Ik loop voortvarend met een taart in een bakblik naar een rol vershoudfolie toe, net als ik Bianca met het konijn en het inpakpapier heb zien doen. Sofia zucht diep ‘neehee...’. Het moet andersom. De taart moet op het aanrecht blijven en aldaar worden bedekt met het folie dat van te voren uit een kast is gehaald. Ik denk dat Sofia mij heel dom vindt. Helemaal als ik de taart met één stuk folie probeer te omspannen en niet met twee stukken, zoals zij mij laat zien dat het hóórt. Om te laten zien dat ik echt niet helemaal achterlijk ben, vouw ik de papieren appeltaartdozen die we naar de papierbak achter de keuken moeten brengen heel behendig op. Gezonde concurrentie moet er zijn binnen het bedrijf.

Tijdens de lunch klets ik met André. Of eigenlijk kletst André met mij. André loopt over van trots. Trots op de oorkonde van de opfriscursus verkopen die hij net heeft behaald. Trots op zijn band Garden of Love waar hij in speelt en zingt. ‘Poprock met een scherp randje, Nederlandse teksten, we hebben een officiële clip. Johnny de Mol die kwam me filmen en interviewen voor de televisie. En onze band stond op Pinkpop, dat was me wel een ervaring zeg!’. Ik vraag of André een stukje poprock voor me wil zingen. Hij knikt ernstig, ‘Ik heb hier natuurlijk geen muziek dus ik moet het even goed timen’.
Als André nog maar net heeft ingezet is er nog iemand die iets wil zeggen, een lief meisje dat net als alle anderen aan de tafel al die tijd naar de succesverhalen van André heeft zitten luisteren. ‘Ik heb een oom van de 3 J’s’. Iedereen beaamt het. Julia is een nichtje van Jaap van de Witte. Ze wijst op een poster die ik al had zien hangen.

‘Oh wat leuk’, zeg ik, ‘als jij dan meezingt dan zijn jullie de 4 J’s’.
Ja duhuh, doet Julia, ‘dat grapje heb ik al zo vaak gehoord…’.
Ze vertelt dat ze kort geleden met bijna iedereen van de Wereld van Jansje naar een concert van de 3 J’s is geweest. ‘Dus toen waren we de 38 J’s’. Oké begrepen, ik moet dus niet denken dat ik leuk ben.

André polst of collega Sylvia kippensoep mag. Dat gaat hij maken op de door hem georganiseerde horroravond. Het is pas over twee weken, maar alles, de 4 horrorfilms en de hele catering is al in kannen kruiken. Sylvia antwoordt: kippensoep? ja, als er geen varkensvlees in zit dan is het goed. Het valt op dat de medewerkers van de Wereld van Jansje stuk voor stuk trots uitstralen en zeer zelfbewust zijn. En ook dat ze buiten het werk veel ondernemen met elkaar.
‘Dat komt door de fooienpot’, Cha is de hele dag een beetje stil geweest maar raakt ‘s middags op dreef. ‘We hebben heel vaak blije klanten en die geven ons fooi. Daar gaan we dan leuke dingen van doen. Dus we worden ook vrienden na het werk, en dat is leuk voor mensen die niet sociaal zijn van zichzelf, die hebben dan toch vrienden’.

Cha is 21. Ik vraag haar wat ze leert op haar werk. want van de arbeidstrainers heb ik begrepen dat aan iedereen, dus ook aan de leiding, individuele leerdoelen worden gesteld.
‘Nou, dat je niet gaat hangen, dat je gewoon doet, aardig tegen de mensen. En dat je meehelpt. Dat je gaat stickeren. En meedenken met de klanten. En hallo zeggen tegen de klanten.
Cha gaat nog even door. Maar ik blijf steken bij ‘hallo zeggen tegen de mensen’. Dat vind ik een heel mooi individueel leerdoel.

Ik werk nu al een tijdje samen met Arjan achter het barretje in het horeca gedeelte. Arjan bedient het koffieapparaat met de ernst van een laboratoriummedewerker en ik zet, aangestoken door zijn werkhouding al even serieus de kopjes en de schoteltjes klaar op een dienblad. Onze derde man is Ludo. Die brengt alle bestellingen naar de juiste tafeltjes. Ludo heeft nog niets tegen me gezegd. Ineens tikt hij me aan. ‘Mijn moeder heeft ook zo’n jaguarjurk’. Hij bedoelt mijn panterjurk die ik onder het schort aan heb. ‘Ik heb vier lievelingsdieren: de jaguar, de haai, twee Amerikaanse adelaars en….de weerwolf. Binnenkort word ik prof bij FC Twente want ik ga op voetbal. Dus ik moet verlengen bij Real Madrid. Dat is mijn droom. Ronaldo ontmoeten’.

Ik moet het even verwerken allemaal. Dan klinkt plotseling Arjan’s stem boven het koffieapparaat uit: heb jij huisdieren?. ‘Twee poezen’, zeg ik, ‘en jij?’.
‘M’n vader’.
‘Als huisdier?’.
‘Nee, m’n vader heeft een goudvis en eenden en een ooievaar’.
Ludo neemt het weer over.
‘Ik weet wat ik zo leuk vind aan Jansje. Claudia, m’n baas. Ze geeft leuke opdrachten. We zijn een beetje hetzelfde Claudia en ik. Wij willen gewoon veel geld verdienen. Als iedereen veel geld verdient heb je ook eerder vrij. En dan kan je op vakantie. Wij willen ook iets geven aan de wereld. Ik wil graag geld brengen naar Griekenland want die zijn bijna failliet. Ik heb wel iets met landen. Ik weet ook waar alle hoofdsteden liggen. Alle mensen waar ik van houd, die raken me. Dat is het leven voor mij. Gezelligheid en plezierheid. En daarom houd ik van Sofia. Omdat zij ook weet wat de hoofdstad van Bulgarije is’.

Sofia hoort haar naam en komt erbij staan. ‘Ja ik denk dat Bulgarije een heel mooi land is’.
‘Ik houd van vrouwen’, Ludo slaat zijn arm om Sofia heen.
‘Ik heb ook een vriendin, ook zo’n aardige meid. Maar ik houd het wel gescheiden van m’n werk’.
Er komt een bestelling binnen, een warme chocolademelk. Ik heb helemaal geen zin om Ludo te onderbreken dus ik schenk alvast chocolademelk in een hoog glas en geef het aan Arjan. Die kijkt ernaar en schudt nog net niet geschokt maar wel licht teleurgesteld zijn hoofd. Dan pakt hij een ijzeren kannetje en schenkt daar nieuwe chocomelk in en houdt de kan onder het cappuccino stomertje. Het glas dat ik heb ingeschonken staat een paar momenten functieloos tussen ons in. De situatie wordt gered door Jelle. ‘Ik neem het wel van je over’. Hij schenkt de chocomelk door een trechter terug in het pak.

‘Zolang het nog niet warm is kan dat hè’, zegt hij tegen mij, ‘daarna krijg je bacteriën’. Tegen zoveel deskundigheid kan ik niet op. Nog één kopje koffie en ik ga naar huis. Ik heb een hoop geleerd.



FacebookTwitterLinkedInWhatsAppGoogle+Email