Vijf minuutjes



Ik stond in een piepkleine wc met mijn rug tegen de deur.
Een grote man, best dik, hevig zwetend stond tegenover me.
Of tegenover me, hij stond heel erg dicht in mijn aura, bijna tegen me aan eigenlijk.
En nu boog hij ook nog naar voren en draaide de deur op slot.
‘Dit vind ik eng’, hoorde ik mezelf zeggen met een stem waarin ergens in de verte iets van stelligheid doorklonk.
‘Nee joh niks aan de hand’, zei de man terwijl hij ook nog zijn telefoon uit zette. Ik had de mijne niet eens bij me!
Nu greep hij naar zijn hart.
Wat hij nodig had was een dokter, maar uit alle mensen die er op deze Haarlemse festiviteit rondliepen hij had mij gekozen.
Waarom? Even daarvoor had ik enthousiast staan zingen en dansen op een podium. Maar had ik daarbij een doktersjas gedragen? Nee!
Waarschijnlijk was ik de enige aan te klampen persoon geweest in dat vrouwentoilet, de enige tegen wie hij kon zeggen: wil je effe vijf minuutjes bij me blijven, ik ehh, en hij keek schichtig om zich heen, heb net een lijntje genomen, maar het gaat niet helemaal goed, m’n hart gaat tekeer man, nienommaal, hier moejevoelen.
Ik voelde, en ja, onder mijn hand en onder zijn shirt klopte een hart er wild op los.
‘Ik haal wel een glaasje water voor je’, zei ik verpleegsterachtig terwijl de man hyperventilerend één van de twee toiletten in stommelde.
Toen ik terugkwam stak mijn patiënt zijn hoofd om de deur: ik ehh… bedoelde eigenlijk dat je echt bij me zou komen…
‘In de wc?’.
‘…ja…ja sorry hoor ik schaam me dood maar dat heb ik effe nodig. Het is ook nog zo m’n vader zoekt me en als hij me zó ziet, dat kán niet, wordt ie laaiend..’.
Een moment later zat de deur dicht.
Dus nu zat ik ineens met een cokesnuiver op het toilet!
Die ik zielig vond omdat er een boze vader achter ‘m aan zat.
Een klein jongetje dus nog maar. Maar wel één die ruim een kop groter was dan ik en bij wie het zweet door elke porie van zijn kale hoofd naar buiten gutste. En bij wie de ogen als grote pingpongballen uit de kassen puilden. En die maar steeds mijn hand op zijn borst drukte om te voelen of het daar al rustiger werd. Dat werd het niet.
Maar ik zei van wel.
Aan de andere kant van deur vroegen steeds meer ongeruste en geïrriteerde vrouwen zich hardop af of het allemaal wel goed ging daarbinnen.
‘Gaat prima hier!’, riep ik af en toe.
‘Heeeel diep in ademen, en weer uiuiuit’, inmiddels was ik maar voor yogajuf gaan spelen.
En zo verstreken de minuten. Die er in plaats van vijf allang minstens tien geworden waren.
Er kwam een moment dat ik de deur van het slot draaide en net deed alsof het heel normaal was dat ik naar buiten kwam terwijl ik de hand vast hield van een enorme onvast bewegende man.
De morrende vrouwen hadden inmiddels allang de etablissementhouder geïnformeerd. Mijn patient vluchtte de wc weer in.
In de spiegel zag ik dat ik mijn optreed-make up en kleding nog op en aan had. Het was niet echt een waardig einde van een toch heel vrolijk optreden.